Op weg naar 2024: ‘De eeuwige kloof tussen burger en politiek’

Rens RaemakersPublicaties

Of het nu 1970, 2000 of 2014 is: altijd wordt er wel gesproken van ‘een kloof tussen burger en politiek’. De heersende opvatting is al snel dat er een kloof is en dat die kloof ongewenst is. Maar klopt dat wel?

Het percentage burgers dat tevreden is met de democratie ligt in Nederland op 77 procent. Vergeleken met de rest van Europa is dat zeer hoog: alleen Luxemburg en de Scandinavische landen scoren beter. Het vertrouwen in het parlement, de regering en politici ligt weliswaar veel lager dan het vertrouwen in de democratie (alle drie tussen de 45 en 55 procent), maar in vergelijking met de andere landen behoort Nederland nog steeds tot de koplopers. Als er dus al sprake is van ‘een kloof’, dan lijkt deze kloof inherent aan een democratisch bestel.

Bovendien hoeft een lager niveau van vertrouwen in parlement, regering en politici niet eens bezwaarlijk te zijn. Juist het relatief hoge vertrouwensniveau in de democratie maakt dat kiezers hun wantrouwen in de huidige politici door middel van nieuwe verkiezingen kunnen uiten. De grote electorale volatiliteit van de laatste jaren is daarom evenmin problematisch. Vroeger stemde men vanuit zijn of haar zuil steevast KVP, CHU of PvdA; nu denken kiezers kritisch na en veranderen ze geregeld hun stem. Dat hoort juist bij een open democratie!

Oké, zal men zeggen: maar hoe valt dan de opkomst van ‘populisten’ als Fortuyn en Wilders te verklaren? Dit is toch het beste bewijs voor het bestaan van een kloof? Inderdaad is er in de vroege jaren 2000 een significante vertrouwensdaling waar te nemen, hetgeen samenhangt met de opkomst van Pim Fortuyn. Echter, dergelijke fluctuaties komen volgens politicologen vaker voor en herstellen zich altijd weer vanzelf. In 2012 is het vertrouwen in de democratie dan ook weer op het niveau van 2000 en is het zelfs veel hoger dan in de volledige jaren zeventig.

En er zijn meer aanwijzingen dat er tegenwoordig een kleinere ‘kloof’ is dan in de jaren zeventig. Politicoloog Andeweg stelt namelijk dat in de jaren zeventig de leden van de Tweede Kamer veel ‘linkser georiënteerd’ waren dan de Nederlandse kiezers. De opvattingen van Kamerleden overlappen slechts voor 55% met de opvattingen van de kiezers. In 2006 blijkt dat er een enorme inhaalslag is gemaakt. Door de opkomst van de LPF zijn ook andere partijen ‘naar rechts’ opgeschoven en is de overlap in opvattingen tussen Kamerleden en kiezers gestegen naar 89%! Als men populisme dus al ziet als een manifestatie van de kloof, dan biedt het tegelijkertijd ook de beste oplossing voor verkleining daarvan.

Het gaat zelfs zo ver dat sommige politicologen vinden dat de kloof tegenwoordig te klein is. Politicoloog Ankersmit concludeerde in 1996 al dat een te kleine kloof forse nadelen heeft: politici durven geen moeilijke besluiten meer te nemen, waardoor de problemen steeds vooruitgeschoven worden. Dit blijken jaren later profetische woorden te zijn geweest: de politiek heeft almaar geweigerd in te grijpen in hypotheekrenteaftrek, ontslagrecht en pensioenleeftijd, met alle gevolgen van dien. Pas de laatste jaren is daar – onder druk van D66 – verandering in gekomen.

Ook in normatief opzicht is er veel te zeggen voor een ‘gezonde kloof’ tussen burger en politiek. Politici moeten het algemeen belang behartigen, en daarbij moeten zij continu belangen van (groepen) burgers tegen elkaar afwegen. Komen politici ‘te dicht’ bij bepaalde burgers, dan ligt het gevaar van vriendjespolitiek en corruptie op de loer. Het is juist goed als politici een bepaalde afstand hanteren, waardoor zij in staat zijn objectief en onafhankelijk te oordelen. Soms zijn deze besluiten erg pijnlijk, maar deze zijn op de lange termijn nu eenmaal ‘in het algemeen belang’.

Is er dan geen enkel probleem met onze democratie? Hoeven we richting 2024 geen democratische vernieuwingen meer door te voeren? Nou, dat is wat veel gezegd. De burgemeestersbenoeming verloopt nog steeds erg ontransparant, de Eerste Kamer wordt indirect gekozen en doet dubbel werk en de tweestrijd bij Tweede Kamerverkiezingen resulteert steevast in een regering van antipolen die niemand echt gewild heeft. Deze problemen moet D66 ook het komende decennium vanuit een constructieve houding op de agenda blijven zetten. Niet door te claimen dat er een groot vertrouwensprobleem is tussen kiezers en gekozenen, maar wel door te stellen dat sommige onderdelen van de democratie niet meer optimaal werken en nodig aan vernieuwing toe zijn. Want als de noodzakelijke vernieuwing te lang uitblijft, ontstaat er vroeg of laat vanzelf een échte kloof…

Bron: https://issuu.com/demo_magazine/docs/demo_4_oktober_2014_tiff/21?fb_action_ids=988609824498482&fb_action_types=og.shareshttp://issuu.com/demo_magazine/docs/demo_4_oktober_2014_tiff/21?fb_action_ids=988609824498482&fb_action_types=og.shares